• Noorderplantsoen in de lente met zon en mensen

Als ik ren, kan iedereen mij zien

Als ik ren, kan iedereen mij zien. Mijn geploeter. Mijn rode kop. Mijn zweet. Mijn oude joggingbroek. Ooit was die broek zwart en nieuw, nu is hij vaal en grijs en zitten er witte kattenharen op. En zwarte waarschijnlijk ook, gezien de kleuren van mijn katten, maar ja, die zie je niet.

Ik vind dat eng, dat iedereen mij ziet.

Vorig zomer, toen ik voor het eerst in jaren weer eens rende, verstopte ik mij zo goed als ik kon. Eerst op de fiets naar het Stadspark, zonnebril op, oordopjes in en hard trappen. Daar werd ik onzichtbaar van. En dan, in het park zelf, rennen op de meest afgelegen paadjes. Wandelde rechts iemand met een hond, dan ging ik links.

Vorig herfst besloot ik dat het zo niet langer kon. Ik deed het engste wat ik me kon voorstellen: ik rende door de Herestraat. Het was maandag, aan het begin van de avond, dus heel druk was het er niet maar wel zo druk dat ik nog roder en bezweter werd. Erger dan dit kan het niet worden, dacht ik, hierna valt alles altijd mee.

Dat was ook zo. Een beetje. Soms.

Inmiddels ren ik vier keer per week. Meestal weet ik mezelf er van te overtuigen dat niet iedereen op mij let en dat degenen die dat wel doen heus niet allemaal lelijke dingen over mij denken en dat degenen die dat wel doen stom en onbelangrijk zijn. Toch, nog altijd, ren ik het liefst ‘s avonds in het donker.

Vanmiddag. Ik sta aan de rand van het Noorderplantsoen. Met mijn rode kop. Met mijn zweet. Met mijn oude joggingbroek. Mijn rondje zit erop, nu nog naar huis lopen. Ik kan rechtsaf, het park in. Het is er prachtig, zon, rumoer, overal mensen. En ik kan rechtdoor, de Grote Kruisstraat in. Daar is niemand. Daar is het veilig.

Ok. Fuck dit. Ik sla rechtsaf.

Halverwege het park, net voorbij de vijver, word ik ingehaald door een man en een vrouw. Ze fietsen. Achterop bij de vrouw zit een jongetje, in zijn hand een bellenblaas. Hij blaast en blaast. Tientallen bellen dwarrelen om hem heen. Hij lacht. Hardop. Iedereen kan hem zien en het doet hem niets.

Wat mooi. Dat wil ik ook. Het jochie kijkt naar mij. Ik spring en probeer een van zijn bellen te grijpen. Hij lacht opnieuw, nu nog harder. Ik zwaai, hij zwaait terug. Hij blaast nog eens, zo hard hij kan.

Met mijn hoofd tussen de bellen loop ik door.

By | 2017-05-26T22:12:51+00:00 May 31st, 2016|Categories: Andere verhalen|Tags: , |2 Comments

2 Comments

  1. Anthony May 31, 2016 at 21:42 - Reply

    Mooi mooi mooi!

    • Maaike Wind December 5, 2016 at 21:04 - Reply

      Dank je! Zeg ik zo even dik vijf maanden later. Ik zal maar weer snel eens een stukkie tikken.

Leave A Comment